geselecteerd als gefixeerd bericht
Voor Max J. Molovich moet u in het vervolg hier zijn.
Dat was het dan. En zowaar, dankzij het ‘Even geduld a.u.b.’ is Zomergasten dit jaar met een zogenaamd open einde geëindigd. Zeer literair natuurlijk. Het duurde alleen zo godverdomde lang. En dan steeds zo’n zweverig gitaardeuntje dat ons de indruk moest geven dat het elk moment weer kon beginnen. Maar het begon maar niet! En na een klein moment van zwakte waarin wij naar een andere zender zapten om onze honger naar bewegend beeld te stillen, kwamen wij terug in een reclame waarin die andere Connie, die van Van Breukhoven, haar wasgedrag exploiteert ten behoeve van Robijn. Waarna ‘Magnolia’ begon, een der meest menselijke films die er ooit gemaakt is. Misschien wordt aankomende zaterdag herhaald wat wij gemist hebben.
Het was in ieder geval een memorabele uitzending. Met als hoogepunt de analyse van ons Connie over Gandhi’s ‘tirannie van de goedheid’. Geniaal gezegd. Volgens mijn lief had Katja trouwens geen B.H. aan. Zelf heb ik daar uiteraard niet op gelet. En ook die permanent glimmende lippen zijn mij niet opgevallen. Het ging immers om de inhoud. En daar zat het goed mee.
Maar goed, zoals gezegd, dit was het. Een kleine maand lang heb ik mij ingezet voor Connie Palmen, in de hoop het tij te keren. In de hoop dat de mensen in staat waren om hun vooroordelen opzij te zetten en ons Connie een kans te geven. Voorlopig zit mijn taak erop. Connie Palmen Rules! ruste in vrede. Vanaf vandaag ga ik hier verder.
Da’s lang geleden. Nostalgisch fragment. Even geduld a.u.b. Dankuwel, Katja Schuurmans, dat ik dat nog een keer mag meemaken… Op bovenstaand plaatje ziet u het oude testbeeld, nadenkend over de vraag: in hoeverre is Kitty uit Connie Palmens ‘De Vriendschap’ gebaseerd op de Mariken uit ‘Mariken van Nimwegen’?
Er is weinig dat je beter met een fikse kater kunt doen dan ‘m blootstellen aan een goeie tearjerker. Zojuist samen met mijn liefste gekeken naar Finding Neverland, met Johnny Depp en Kate Winslet, waarin Johnny Depp ene J.M. Barrie speelt, de man die verantwoordelijk is voor Peter Pan. De ogen waren al een beetje waterig, maar tegen het einde van de film, als Kate Winslet stervende is en zij Neverland in stap, ja toen stroomde de warme tranen over onze wangen en keken wij elkaar aan met rood doorlopen ogen en lachtten wij een beetje beschamend, want het blijft moeilijk om toe te geven aan je ontroering.
Zou ons Connie wel eens janken om een film. Hopelijk wel. Ik gun het iedereen. Van Katja vermoed ik dat ze al gaat janken bij het zien van de hulpeloze ogen van een chihuahua met constipatie die een wanhopige poging doet om zichzelf van die vracht te verlossen die nu al anderhalve week niet naar buiten wil. Maar misschien heb ik het volkomen mis.
Ze gaat een fragment uit de film ‘Gandhi’ laten zien, heb ik mij laten vertellen. Hopelijk gaat ze aan de hand hiervan laten zien wat voor een onuitstaanbaar sujet die Gandhi was. Een in lompen gehulde arrogante zeikerd die zichzelf ver boven de rest van de mensheid verheven voelde. Afijn, ik heb daar al eens uitgebreid over geschreven. Dat kunt u hier lezen, mocht u daar behoefte aan hebben.
Op de foto ziet u trouwens een zeldzame foto van Katja Schuurman, gemaakt toen ze audities deed voor de rol van Gandhi in Joop van den Endes Gandhi: The Musical. Uiteindelijk is de musical er nooit van gekomen, vanwege een conflict dat Van den Ende had met de erven Gandhi over de muziekkeuze. Van den Ende wilde er een soort Bollywood-musical van maken, met Indiase muziek. De erven Ghandi zagen meer in de liedjes van ABBA.
Ik weet niet hoe het met u zit, maar als ik eerlijk ben, dan komt heel die Connie Palmen zo langzamerhand m’n neus uit. Letterlijk, welteverstaan. Gisteravond, toen ik in innige omhelzing met mevrouw Molovich op de bank zat, haalde ik met mijn linkerwijsvinger uit mijn rechterneusgat een snotje te voorschijn, dat mij wel heel erg bekend voorkwam. “Moet je kijken”, zei ik, terwijl ik mijn snotje voor de ogen van mijn lief hield, “dat is toch net Connie Palmen?” Mijn lief keek, zag eerst niet wat het was, toen wel en dienste achteruit, daarbij een bek trekkend die aan duidelijkheid omtrent haar oordeel over de binnenkant van mijn neus, weinig te wensen overliet. “Kijk dan”, zei ik met de nodige pathos, “tis precies ons Connie?” Langzaam overwon ze haar aversie voor mijn lichaamsslijm, kwam dichterbij, bekeek het snotje van alle kanten, keek mij aan alsof ik zojuist veranderd was in een strandbal van Nivea en zei: “Je bent gek aan het worden, die hele Connie Palmen maakt je gek.”
Overdreven natuurlijk. Typisch een reactie van een vrouw. Maar goed, ik hou van haar, dus ik dacht: misschien heeft ze wel gelijk, misschien ben ik echt gek aan het worden. Ik haalde mijn microscoop van zolder, legde mijn snotje eronder, stelde het zooitje scherp en zag in één oogopslag dat mijn vermoedens juist waren. Precies Connie Palmen. Ik zou zeggen: oordeel zelf. Bovenstaande foto die ik ervan heb genomen (het is een geavanceerde microscoop, kan ik u wel vertellen), laat het duidelijk zien. Die nobele gelaatstrekken, die wijze blik in de ogen, dat guitige piekhaar, zelfs het mintgroene Frans Molenaar-jasje: het is allemaal aanwezig. Ik wilde het mijn liefste nog laten zien, maar die weigerde door een microscoop naar een 25-voudige vergroting van mijn neusafval te kijken. Ik heb het er maar bij gelaten. Einstein werd ook niet altijd door z’n vrouw begrepen, het belette hem evenwel niet een gelukkig leven te leiden met hier en daar een misstap zoals die brief aan Roosevelt dat Amerika snel maar eens moest beginnen aan het ontwikkelen van een atoombom, waarmede maar weer eens bewezen werd dat de uitspraak ‘alleen van de dingen die je niet doet, krijg je spijt’ volkomen bullshit is.
Maar goed. Eigenlijk was ik deze site begonnen om eens te kijken hoe dat web streepje log bevalt. En ik moet zeggen, het beviel wel. Ik denk dat ik zondag de topper van dit seizoen (Connie Palmen – Katja Schuurman) wellicht live ga verslaan. Met maandag een nabeschouwing. Daarna wordt deze plek één van de vele zerkjes op het grote virtuele kerkhof, waar enkel nog wat gebeurt als er eens iemand een bloemetje komt leggen en een traantje komt wegpinken, denkend aan de tijd die geweest is en hier stil staat.
Laat ik even voorop stellen: Tom Barman staat al jaren hoog op mijn lijstje van Helden Die Weinig Tot Niets Fout Kunnen Doen. Sinds de eerste jankende viooltonen van Suds & Soda mijn oren binnendrongen (en dan spreken we vermoedelijk over het vroege herfst van 1994), heb ik deze sympathieke Belg in mijn hart gesloten. Tom Barman, voortrekker van La Nouvelle Belgique, een term die ik zojuist verzonnen heb en die vrijwel nergens op trekt, maar ja, ik vond ‘m gewoon wel lekker klinken en een beetje intellectueel ook, en intellectueel willen we allemaal toch wel overkomen, want de intellectuelen zijn het nieuwe proletariaat. Maar goed, waar was ik? Bij Tom Barman. En die zat dan weer aan tafel bij ons Connie. Alweder een paar weken geleden, maar toch, in een weblog waarmede ik wil bewijzen dat Connie Palmen de wereld zou moeten regeren, kan ik niet voorbij gaan aan deze prachtuitzending. Net als ze bij Cees Nooteboom gedaan, liet Connie ons precies zien wie Tom Barman was. Waar Cees Nooteboom naar voren kwam als de arrogantste kwast sinds de favoriete penseel van Rien Poortvliet dienst weigerde tijdens het schilderen van ‘Brabantsch Wintertafereel met Boerin en Trekpaard’ omdat de penseel – en hier citeren we uit de biografie van Rien Poortvliet – “zich ineens te goed voelde voor een eenvoudige gouache”, daar kwam Tom Barman naar voren als sympathiek chaotische wereldburger met een voorliefde voor vergane glorie, stemmig zwart-wit, voice-overs, verantwoorde én onverantwoorde muziek en de kracht van het toeval. Maar ook als iemand, en dat was wel het mooiste, die voortdurend bezig is zichzelf in twijfel te trekken.
Al even mooi was de waardering van ons Connie voor Tom Barman, die tijdens de uitzending gestaag groeide. De waardering, bedoel ik dan, niet Tom Barman, die bleef even groot als hij altijd al was. Ze was niet erg thuis in de wereld waarin Tom Barman zijn dagen doorbrengt, maar ze leek er steeds nieuwsgieriger naar te worden. Ik vermoedde een grote genegenheid tussen de twee. Het was alsof je naar een gesprek zat te kijken tussen een rustige moeder en een rusteloze zoon en dat die nu voor het eerst sinds jaren een goed en lang gesprek hadden en dat die moeder eindelijk begon te begrijpen wat haar zoon dreef en waarom hij zo anders was dan zij en dat zoiets eigenlijk alleen maar mooi is.
Op bovenstaande foto ziet u Tom Barman tijdens het voorgesprek dat hij met Connie Palmen had. Hier reageert hij op een van de dilemma’s die ons Connie die dag aan hem voorlegde, in de hoop erachter te komen wat deze sympathieke doch enigszins ongrijpbare Vlaming drijft: “Anaal of oraal?”
Ik werd wakker in het ziekenhuis te Roermond met slangetjes in mijn neus. Mijn hele lijf brandde. En niet van verlangen. Het leek alsof ik gevild was. Mijn enkels voelden alsof iemand geprobeerd had m’n voeten eraf te snijden met visdraad. Een broeder was mijn dijbeen aan het insmeren met een zalfje. “Hoe kom ik hier terecht”, vroeg ik hem. De broeder keek op, glimlachte, probeerde wat te zeggen, barstte in huilen uit, rende met zijn handen voor z’n ogen weg, bleef haken aan de slangetjes in mijn neus, viel met zijn kop tegen de bedrand en bleef ineengezakt liggen. Ik stopte de slangetjes weer terug in mijn neus en drukte op het alarmknopje.
Nou goed. Bleek dat ik door ene Mad Eddy in elkander was gemept, daarna met een touw rond mijn enkels achter zijn Harley Davidson was gebonden en vervolgens drie uur lang door de straten van Sint Odiliënberg was gesleept. En ineens herinnerde ik me de droom weer die ik had voordat ik ontwaakte.
Het is de lente van 1978. Connie Palmen is een plaatselijke beroemdheid nadat ze voor het vijfde achtereenvolgende jaar De Lekkerste Vlaai van Sint Odiliënberg en Omstreken Prijs heeft gewonnen. Een schandaal ontvouwt zich als ons Connie tijdens haar dankwoord bekent dat zij al die jaren de vlaaien niet zelf heeft gebakken, maar dat heeft overgelaten aan haar imaginaire vriendin Kitty. De meeste mensen in Sint Odiliënberg zijn niet bekend met het fenomeen ‘imaginair’ en zeker Eduard de Munnik niet, alias Mad Eddy, erelid van de plaatselijke Kreidler-club en acht jaar daarvoor nog vier maanden lang het vriendje van ons Connie geweest. De relatie duurde totdat ons Connie erachter kwam dat ze een IQ van 164 had. De toen 24-jarige Mad Eddy was dan wel een plaatselijke bekendheid als viervoudig winnaar van de Grote Buikschuivers Race van Roermond, maar met een IQ van een punt of honderd minder, was hij toch eigenlijk geen partij voor ons Connie. Op het moment dat zij in haar dankwoord over haar imaginaire vriendinnetje vertelt, breekt er iets in Mad Eddy. Het verraad van de vlaaien roept weer in herinnering op hoe hij zich acht jaar geleden voelde. Al die tijd heeft hij zijn emotie weggestopt uit ontzag en liefde voor ons Connie. Maar nu komt het tot ontploffing. Hij stormt het podium op, trekt ons Connie aan haar haren van de microfoon weg en sleept haar over het podium richting de nooduitgang. Een woedende menigte volgt het voorbeeld van Mad Eddy enthousiast op. Ons Connie wordt op een haar na gelyncht. Besmeurd met pek en veren wordt ze het dorp uitgejaagd. Na vele omzwervingen belandt ons Connie uiteindelijk in Amsterdam en de rest is – om met Baas Baksteen te spreken – geschiedenis.
Of bovenstaande werkelijk gebeurt is, weet ik eerlijk gezegd niet zeker. Op het moment dat ons Connie met pek en veren Sint Odiliën verlaat, verandert ze namelijk in mijn moeder en Mad Eddy verandert in een tijger en Sint Odiliën verandert in een vaag soort woestijnlandschap met op de achtergrond olifanten op lange, dunnen poten en dat is, kan ik u wel vertellen, niet echt gebeurt. Maar dat doet er niet zo veel toe. Wat werkelijkheid is en wat fictie is een vraag die na de zalvende werking van de tijd er eigenlijk niet meer toe doet.
Op bovenstaande foto ziet u trouwens Mad Eddy die, tijdens het oefenen voor de Grote Buikschuivers Race van Roermond, fantaseert dat zijn Kreidler ons Connie is.
‘Kiezen doe je zelf’, stond er vroeger geschreven op de buitenmuur van een groot pakhuis op de Oostelijke handelskade. Ik zag het vaak vanuit de trein. Een redelijk deprimerende slogan, want ergens vermoedde ik dat er een kern van waarheid in zat, maar dat ik niet in staat was die waarheid werkelijkheid te maken. Neem van mij aan, lieve lezers: ga nooit aan de heroïne, hoe verleidelijk de spuit ook lonkt. Mensen die vroeger geregeld een arm om je heen sloegen om je bij wijze van begroeting op de rug te kloppen, lopen ineens met een grote boog om je heen terwijl ze haastig de andere kant op kijken, alsof ze door oogcontact alleen al ten dode opgeschreven zijn.
Kiezen doe je zelf. Vermoedelijk is ons Connie het van harte met die uitspraak eens. Tijdens de schitterende Zomergasten met Maria Goos liet laatstgenoemde twee fragmenten zien over poppenspeler en theatermaker Jozef van den Berg. In het eerste fragment zag je hem als poppenspeler, hoe hij de zaal op sublieme wijze in zijn poppenuniversum wist te slepen. In het tweede fragment zagen we hem in gesprek met de sprekende anus die toen nog het programma De Stoel presenteerde. Jozef is inmiddels zelf een pop geworden. Op bevel van de Grote Poppenspeler in the Sky is heeft hij een meterslange baard laten groeien, loopt hij rond in een donkerbruine monnikspij en woont hij in een fietsenhok in Waardenburg. (Voor de geïnteresseerden onder u: hier kunt u een erg goed interview met Jozef van den Berg lezen.) Ons Connie zei er zeker van te zijn nooit in die situatie te zullen komen. Ze is nu eenmaal niet gevoelig voor autoriteit. Ik geloofde haar, maar net als Maria Goos twijfelde ik erover of ik zelf in staat zou zijn de bevelen van God te negeren, mocht ik ervan overtuigt zijn deze te krijgen.
Op bovenstaande foto ziet u de foto van Marilyn Manson in zijn jonge jaren. Afgelopen zaterdag zag ik ‘m optreden en moest constateren dat zijn zo zorgvuldig opgebouwde imago op dezelfde manier een loopje met ‘m begint te nemen als Swiebertje dat deed bij Joop Doderer. Maar over identiteit als supermarktartikel wil ik het de volgende keer hebben.
Voordat ik verder ga met het zinderende verslag van mijn zoektocht naar de roots van ons Connie, wil ik u even de reden vertellen van mijn afwezigheid op het Wereldwijde Web de laatste dagen. Ik was namelijk handtekeningen aan het verzamelen voor het Ultieme Goede Doel: Elke Zomer Zomergasten Met Connie Palmen. En waar dat beter te doen dan op een plek waar een hoop mensen samenkomen. Aangezien tallships mij om de een of andere reden aan Cees Nooteboom doen denken, besloot ik mijn zieltjes te winnen op het bij u – ja u daar met die ghettoblaster op uw schouder – ongetwijfeld bekende muziekfestival Camping Flight To Lowlands Paradise. Gevolg was overigens wel dat ik gisteren avond een memorabele uitzending heb gemist, zo heb ik begrepen van De Volkskrant en van mijn Grote Liefde.
Overigens, op Lowlands vond zaterdagochtend een debat plaats onder de titel Cool Politics, dat in voorgaande jaren onder de bezielende leiding stond van Theo van Gogh. Dit jaar moest hij verstek laten gaan vanwege, zo lazen wij in het programmaboekje, gezondheidsredenen. In gedachte hoorde ik de Goddelijke Bolle goedkeurend grinniken. Iemand anders die schitterde door afwezigheid was ons Connie. Waarschijnlijk omdat ze niet gevraagd was. Een grote schande want het onderwerp van gesprek was ‘De Identiteit van Nederland’, een vraag die op Connies in Frans Molenaars kleurrijke jasjes gestoken lijf is geschreven, maar nu, helaas helaas, beantwoord moest worden door Wouter Bos, Hilbrandt Nawijn (ja, u leest het goed: Hilbrandt Nawijn, de vleesgeworden kleinburgelijkheid) en nog wat gasten die ik niet kende. Alles wat Hilbrandt zei werd, zoals verwacht, met afkeurend gejoel en gefluit ontvangen, alles wat Wouter zei, verdween meestal in verrassende stilte. Afijn, het Debat werd in goede banen geleid door Jan-Jaap van der Wal, which was nice. Over de handtekeningenactie zal ik het ook nog wel hebben.
Op bovenstaande foto ziet u trouwens jongelui die op aanwijzing van Korn meeschreeuwen met hun versie van ‘Connie Kom je Buiten Spelen’, u weet wel, die visionaire hit van Connie St. Claire.
Een hond rent keffend achter een rammelende pick-up aan, een tumbleweed tuimelt over een verlaten straat, een man slaapt op z’n veranda met z’n hoed over z’n gezicht, de zon zakt vuurrood achter de horizon, vliegen dansen boven een klein stroompje dat in een afvoerputje verdwijnt, een verdwaalde Duitser eet een braadworst. U had het al geraden: ik bevind mijn in Sint Odiliënberg, het geboortedorp van ons Connie. Ik ben gevlucht uit Amsterdam voor de stank van zich opeenhopend vuilnis gemengd met de zure zweetgeur van zeilbotenliefhebbers die dankzij Sail onze geliefde hoofdstad teisteren met hun luidruchtige aanwezigheid. Een mooie gelegenheid om op zoek te gaan naar de roots van ons Connie. En waar beter te zoeken naar haar roots dan in haar geboortedorp?
En waar beter om die zoektocht in haar dorp te beginnen dan in de plaatselijke saloon? Dè plek waar mensen elkaar verhalen vertellen, waar taal en werkelijkheid samensmelten, waar mensen een duidelijk beeld denken te hebben van de identiteit van Connie Palmen ook al is deze hoogswaarschijnlijk voordurend aan verandering onderhevig dankzij het al dan niet conflicteren van haar media-optredens met het beeld dat de dorpsbewoners reeds hadden geconstrueerd uit hun eigen ervaring, de ervaringen van anderen en de ervaringen die helemaal geen ervaringen waren, maar die inmiddels zo vaak zijn herhaald en van details voorzien dat iedereen denkt dat het werkelijk zo heeft plaatsgevonden.
Ik neem plaats aan de bar. Zonder iets te vragen krijg ik een Cherry Coke. Als ik om me heen kijk, zie ik dat iedereen hier aan de Cherry Coke zit. Het is een vrolijke drukte. Op de hoek van de bar staat een man drie toehoorders te vermaken met een verhaal waarin een overrijpe banaan, een neger, een ouwe iep en een strijkijzer een rol spelen. Aan het tafeltje bij de ingang zijn vier man luidruchtig aan het toupen. De barman poetst nu al vier minuten hetzelfde glas. Ik besluit mijn stoute schoenen aan te trekken, haal diep adem, schraap m’n keel, val van m’n barkruk, klauter er weer op, schraap nogmaals mijn keel en vraag aan de barman:
“Heeft u Connie Palmen toevallig gekend?”
En binnen een halve seconden is het doodstil. Het gepiep van het uithangbord dat buiten heen en weer zwaait in de wind, is het enige geluid. Een van de toupende mannen verlaat ijlings de saloon. Zijn vallende stoel klinkt oorverdovend. De barman is gestopt met het drogen van zijn glas. In de verte huilt een wolf.
“Een woord van advies”, zegt iemand achter me. Zijn stem verraadt een leven vol whiskey, sigaretten en wonen in Limburg. “Ga hier weg en kom nooit meer terug.”
Ik draai me om. Achter me zit een bebaarde man aan de bar, met priemende oogjes voorbij het einde van de ruimte te staren. Zonder z’n hoofd te bewegen, neemt hij een slokje van zijn Cherry Coke.
“U noemde de naam van haar over wie wij het niet meer hebben. Ga weg of vrees voor uw leven.”
Ik schiet in de lach. Het is dat belachelijke accent. Hoe zou ik dat ooit serieus kunnen nemen?
Overigens, op bovenstaande foto ziet u Rik Felderhof, de pratende anus die volgens u volgend jaar Zomergasten moet presenteren. Nou, u liever dan ik, zou ik maar zeggen.
©2003 - 2012 Weblog.nl is onderdeel van Sanoma Media Netherlands groep.